DOKTER JOHN
home
ALLES > A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - R - S - T - U - V - W - X - Z


BLOED ROUTINE


BLOEDAFNAME

 

BLOED

Een volwassen mens heeft ongeveer 5,5 liter bloed. Het bloed bestaat uit bloedplasma en bloedcellen.

Bezinking (sedimentatie) (2-20mm).
Meest waarschijnlijk: te hoog = ontsteking.

Een hoge bezinking is een aanwijzing voor de aanwezigheid van ontsteking.
De bezinking geeft geen aanwijzing over de oorzaak van die ontsteking. Het is echter wel een alarmsignaal: is uw bezinking duidelijk te hoog, dan hapert er iets. Een normale bezinking betekent echter niet automatisch dat alles in orde is.

Rbc (rode bloedcellen of erytrocyten, 4.5-5.9 milj/µL).
Meest waarschijnlijk: te weinig = bloedarmoede.

Rode bloedcellen brengen zuurstof en CO2 rond in ons bloed.

Reticulocyten

Zijn nog onrijpe rode bloedcellen. Het aantal reticulocyten is een maat voor de activiteit van de erytropoëse (rode bloedcelaanmaak): dat wil zeggen dat bij een verhoogde aanmaak van rode bloedcellen het aantal reticulocyten toeneemt. Kan nuttig zijn in het volgen van een behandeling van anemie of na chemotherapie.

Hematocriet (41-53%)3
Meest waarschijnlijk: te weinig = bloedarmoede.

Hoeveelheid rode bloedcellen per liter bloed. Hoe hoger het hematocriet hoe groter het zuurstofronddragend vermogen van ons bloed.

Hemoglobine (13-17.5g/dL).
Meest waarschijnlijk: te weinig = bloedarmoede

Hemoglobine is de rode kleurstof in de rode bloedcellen. Hemoglobine is nodig voor het transport van zuurstof. Bij Fe (ijzer) tekort kan het Hgb gehalte dalen.

Witte bloedcellen (4000-10000/µL).
Meest waarschijnlijk: te veel = infectie

Witte bloedcellen verdedigen ons lichaam tegen indringers zoals bacterïën.

Formule witte bloedcellen: klik hier voor meer details

Er bestaan verschillende soorten witte bloedcellen. In de formule wordt het percentage van elke soort bepaald. Infecties, allergieën of andere ziektes kunnen de verhoudingen wijzigen.

Trombocyten of bloedplaatjes
(150-400x1000 /µL).
Meest waarschijnlijk: te weinig = bloedstollingsprobleem.

Zorgen voor de stolling. Te weinig: kan in- of uitwendige bloedingen veroorzaken.

Bloedgroep
A (42%), B (8%), AB ( 3%), O (47%)
Rhesus D-positief (85%) , Rhesus D-negatief (15%)

ABO - Bloedgroep
van de ouders
Mogelijk
bij het kind
Onmogelijk
bij het kind
A en A
A en O
B en AB
A en B
A, B, AB en O
-
A en AB
A, B en AB
O
A en O
A en O
B en AB
B en B
B en O
A en AB
B en AB
A, B en AB
O
B en O
B en O
A en AB
AB en AB
A, B en AB
o
AB en O
A en B
AB en O
O en O
O
A, B en AB

Voor de Rhesus-factor geldt het volgende. Als beide ouders negatief zijn, dan is het kind ook negatief. Als beide ouders positief zijn of als de ene ouder positief is en de andere ouder negatief, dan kan het kind zowel positief als negatief zijn.

 

SERUM

Glucose (70-110 mg/dL).
Meest waarschijnlijk: te veel = suikerziekte of diabetes.

Suiker in bloed. Deze waarde is afhankelijk van de maaltijd. Niet nuchter na de maaltijd is hij beduidend hoger, maar moet nog altijd <150 mg/dl zijn.

Hemoglobine A1c (4-6%).
Meest waarschijnlijk: te hoog = slecht geregelde diabetes.

Meet de gemiddelde bloedglucosewaarde in de 2-3 maanden. Moet niet nuchter afgenomen worden. Is de beste parameter over het al of niet goed geregeld zijn van diabetes. Bij diabetespatiënten wordt getracht de HgbA1c < 7 te krijgen.

Ureum (<50 mg/dL).
Meest waarschijnlijk: te hoog = slechte werking van de nieren.

Ureum is het voornaamste eindproduct van de eiwitstofwisseling en wordt door de nieren uitgescheiden.

Te hoog: bij verminderde werking van de nieren of soms bij sterk verhoogde eiwitopname zoals door een te eiwitrijke voeding, een verhoging van de afbraak van eiwitten bij koorts, brandwonden, de aanwezigheid van bloed in het maag-darmstelsel.

Creatinine (0.4 -1.1mg/dL).
Meest waarschijnlijk: te hoog = slechte werking van de nieren.

De productie van creatinine in ons lichaam is constant. Dit betekent o.a. dat de concentratie van creatinine in het bloedplasma omgekeerd evenredig is met de klaring van creatinine in de urine. Te hoog: slechte werking van de nieren.

Creatinine clearance (MDRD) (55-105 mL/min).
Meest waarschijnlijk: te laag = slechte werking van de nieren.

Met behulp van een wiskundige formule kan men de nierfunctie redelijk behoorlijk inschatten. Te laag: verminderde werking van de nieren.

Urinezuur (2.4-5.7 mg/dL).
Meest waarschijnlijk: te hoog = gevaar voor jicht.

Urinezuur is het eindproduct van de purinestofwisseling, dat door de nieren wordt uitgescheiden. Het urinezuur wordt voor het grootste deel verwijderd door uitscheiding via de nieren. Te hoog: bij jicht door verhoogde aanmaak; bij nierinsufficiëntie door verminderde uitscheiding.

CRP-hs (<1 mg/dL).
Meest waarschijnlijk: te hoog = ontsteking.

CRP is een vroegtijdig, gevoelig doch aspecifiek teken van inflammatie,
weefselnecrose of trauma. Hoge CRP-waarden (in afwezigheid van trauma) kunnen
wijzen op een bacteriële infectie. Virale infecties gaan gepaard met geen of slechts lichte stijging van CRP.

Cholesterol (<190 mg/dL).
Klik hier voor meer details

Meest waarschijnlijk: te hoog = gevaar voor aderverkalking.

HDL cholesterol (>40 mg/dL).
Meest waarschijnlijk: goed cholesterol: hoe hoger = hoe beter.

Het cholesterol wordt in ons bloed getransporteerd door speciale transportdeeltjes, lipoproteïnen. De HDL (High-Density lipoproteïne, 'goed cholesterol') kunnen aderverkalking langzaam terugdringen, omdat zij de eigenschap hebben cholesterol op te nemen, waardoor de ontstane toeslibbing weer kleiner wordt.
Hoe meer HDL cholesterol hoe beter.

LDL cholesterol (<115 mg/dL).
Meest waarschijnlijk: slecht cholesterol: hoe lager = hoe beter.

Het cholesterol wordt in ons bloed getransporteerd door speciale transportdeeltjes, lipoproteïnen. De LDL (Low-Density lipoproteïne, 'slecht cholesterol') is vooral verantwoordelijk voor de aderverkalking.
Hoe minder hoe beter.

Cardiale risicofactor (3.1-4.6).
Meest waarschijnlijk: hoe lager = hoe beter.

Aan de hand van totale cholesterol, leeftijd, en HDL wordt een soort risicoschatting gedaan.

Klik hier Voor een meer gespecialiseerde risicoberekening volgens score.

Triglyceriden (<150 mg/dL).
Meest waarschijnlijk: vetten in bloed: hoe lager = hoe beter.

Vetten worden door onze darm uit de voeding opgenomen en door de lever omgezet. De triglyceriden kunnen het proces van aderverkalking versnellen.
De waarde is zeer sterk afhankelijk van de maaltijd.

Fe: ijzer (37-145 µg/dl).
Kklik hier voor details over Fe tekort.
Meest waarschijnlijk: te laag = veroorzaakt bloedarmoede.

Wordt door onze darm uit de voeding opgenomen en dient voornamelijk voor de aanmaak van bloed. De concentratie van ijzer vertoont grote schommelingen in de loop van de dag. De ijzerwaarden in serum zijn 's morgens gemiddeld 30% hoger dan 's middags. Daarom wordt een Fe bepaling best 's morgens nuchter uitgevoerd.

Transferrine (20 - 50%).

Dit eiwit wordt gesynthetiseerd in de lever. Het is een transporteiwit voor ijzer en zink. Het kan worden gebruikt als indicator voor de ijzerstatus van het lichaam.

Ferritine.

De concentratie van ferritine in bloed is gecorreleerd met de hoeveelheid opgeslagen ijzer. De ijzer en ferritine hoeveelheid in bloed geven samen een idee over de totale hoeveelheid ijzer in het lichaam. Ferritine is dus een maat voor de opgeslagen Fe reserve maar eveneens een acute-fase eiwit.

Fe- saturatie (15-50%)
Hoeveel van het transferrine eiwit is verzadigd met Fe.
De Fe-saturatie (ook de transferrine-saturatie, serumijzer-saturatie genoemd) wordt mathematisch berekend uit het Fe en de transferrine in het bloed en wordt uitgedrukt in %.

Fe-saturatie (%) = (Fe x 100) / (transferrine x 1.25).

  ijzer transferrine verzadiging ferritine
ongecompliceerde ijzerdeficiëntie
anemie bij chronische ziekten ↓ - N ↓ - N N - ↑
eiwitgebrek
↓ - N N n.v.t.
hemolytische anemie
↓ - N
hemochromatose ↓ - N
virale hepatitis
  ↑ - N
levercirrose
N

Bilirubine ( <1.1 mg/dL).
Meest waarschijnlijk: te hoog = leverstoornis dikwijls door galobstructie.

Bilirubine ontstaat bij de afbraak van rode bloedlichaampjes, uit hemoglobine. Bilirubine wordt vanuit het bloed opgenomen in de lever, daar omgevormd (geconjugeerd) en vervolgens met de galvloeistof afgevoerd naar de galblaas.

Te hoog: een verhoogde afbraak van rode bloedcellen; een verstoorde opname in de lever; een fout bij de omvorming in de lever (bij sommige aangeboren aandoeningen: ziekte van Gilbert); een verstoorde afvoer naar de galblaas (galstenen). Een verhoogd bilirubinegehalte in het bloed gaat altijd gepaard met geelzucht waarbij eerst het oogwit, maar later ook de huid geel kleurt. Kan eigenlijk zowel wijzen op leverschade door hepatitis, cirrose, kwaadaardige gezwellen als op verstopping van de galwegen.

GOT (AST) ( <37 U/L).
Meest waarschijnlijk: te hoog = leverstoornis door levercelnecrose.

Deze stof komt vooral voor in hart, lever en spieren.

Te hoog: myocardinfarct, levercelnecrose, spiercelnecrose. Vooral gestegen bij aandoeningen die de levercellen beschadigen: dwz alle vormen van hepatitis (viraal, medicatie, alcohol), cirrose, kwaadaardige gezwellen in de lever, ... Licht gestegen bij NASH syndroom.

GPT (ALT) (<41 U/L).
Meest waarschijnlijk: te hoog = leverstoornis door levercelnecrose.

Deze stof komt vooral voor in de lever en in veel mindere mate in hart en spier.
Is dus specifieker voor de lever dat de SGOT.

Te hoog: myocardinfarct, levercelnecrose, spiercelnecrose. Vooral gestegen bij aandoeningen die de levercellen beschadigen: dwz alle vormen van hepatitis (viraal, medicatie, alcohol), cirrose, kwaadaardige gezwellen in de lever, ... Licht gestegen bij NASH syndroom.

Nota: bij myocardinfarct of spiercelnecrose is de verhouding SGOT/SGPT veel groter dan 1. Bij levercelnecrose is die verhouding SGOT/SGPT kleiner dan 1 met uitzondering in het zeer vroege stadium van hepatitis, bij cirrose, kwaadaardige aandoeningen of alcoholische hepatitis.

GAMMA - GT (<61 U/L).
Meest waarschijnlijk: te hoog = leverstoornis door zowel galobstructie als necrose.

Alkalische fosfatase (40-129 U/L).
Meest waarschijnlijk = lever of botaandoening.

Is in hoge concentratie aanwezig in groeiend been, lever en in mindere mate in darm, placenta en nieren. Door middel van elektroforese kunnen drie iso-enzymen (verschillende fracties) geïsoleerd worden en zo nagezien worden vanwaar de stijging komt.

LDH - lactaathydrogenase (<480 U/L).
Meest waarschijnlijk = afhankelijk van de klinische context.

Komt voor in lever, hart, nier en spierweefsel, rode bloedcel, witte bloedcel.
Door middel van elektroforese kunnen iso-enzymen (verschillende fracties) geïsoleerd worden en zo nagezien worden vanwaar de stijging komt.

Amylasen (<100 U/L).
Meest waarschijnlijk = pancreas aandoening.

Komt voor in de pancreas, speekselklieren en in mindere mate in de lever.

Lipase (20-180 U/l).
Meest waarschijnlijk = pancreas aandoening.

Komt voor in de pancreas en in mindere mate in het maag en darmslijmvlies.

Te hoog: acute pancreatitis (tragere maar langduriger stijging dan amylasen), obstructie van pancreasafvoergang voorbeeld door galwegsteen, pancreascarcinoom.

Natrium (135-145mEq/L).

Kalium (3.5-5.1mEq/L) .
Voor kaliumbepaling is het belangrijk dat het bloed zo snel mogelijk onderzocht wordt omwille van vals hoge waarden.

Calcium (8.8-10.2mEq/L).

TSH (0.27- 4.2 mcIU/mL).
Dit is een zeer belangrijke screeningstest voor de schildklier. Een normale TSH-concentratie sluit een schildklierfunctiestoornis vrijwel uit.

Thyroïdstimulerend hormoon (TSH) is een proteïne uit de hypofyse die de schildklier stimuleert om schildklierhormonen te maken (T3 en T4). Door een negatieve feedback van T3 en T4 op de hypofyse krijgt men een perfect evenwicht tussen de hypofyse en de schildklier.

Voor meer details schildklierfunctie klik hier.

PSA (0.0 - 4.4 ng/mL).
Prostaatspecifiek antigeen (PSA) is een stof die bijna uitsluitend in de prostaat voorkomt.

Leeftijd
Waarde
40 tot 49 jaar
2,5
50 tot 59 jaar
3,5
60 tot 69 jaar
4,5
70 tot 79 jaar
6,5

Alhoewel de bepaling van PSA een controversieel item is denk ik dat elke man van boven de 50 beter jaarlijks zijn PSA laat controleren.

85% van de mannen heeft een normale PSA. Bij 15% van de mannen die volgens hun leeftijd een gestegen PSA hebben, is een prostaatonderzoek aangewezen en bij heel wat patiënten is die stijging gelukkig louter te wijten aan een volumevergroting van de prostaat of aan een ontsteking.

Wordt door de gestegen PSA een kanker ontdekt, dan kan die tijdig behandeld worden afhankelijk van de leeftijd en de toestand van de patiënt. Is er een beperkte PSA-verhoging vast zonder duidelijke prostaatafwijkingen, dan kan dit opgevolgd worden met jaarlijkse of halfjaarlijkse PSA bepalingen. Is er dan een plotse stijging dan kan een nieuwe diagnose gesteld worden en tijdig ingegrepen.

Dokter John





Vindt u deze pagina interessant? Breng dan ook uw kennissen op de hoogte!


disclaimer